Custom Search
|
- chemie -
Gamma-GT
Gamma-glutamyl transferase, ook wel bekend als Gamma-glutamyl transpeptidase en afgekort tot GGT is een enzym dat een aminozuur overdraagt van een peptide naar een ander peptide of aminozuur. GGT bevindt zich in het cytoplasma en op de celmembraan van alle cellen behalve spiercellen. Het GGT dat zich in het serum bevindt is met name afkomstig van het hepato-biliaire systeem, dus met name de galwegen, zowel die in de lever (intrahepatisch) als die tussen de lever en de twaalfvingerige darm (extrahepatisch). GGT is in verhoogde concentraties (>37 U/L in volwassen mannen en >31 U/L in volwassen vrouwen) in het bloed aantoonbaar bij prikkeling van de intrahepatische galwegen of bij obstructie van de intra-of extrahepatische galwegen zoals bij geelzucht. De toepassingen van de GGT-bepaling liggen voornamelijk bij diagnostiek en follow-up van leverziekten, met name voor het onderscheid tussen galwegpathologie en leverparenchym aandoeningen. Bij galwegpathologie is GGT sneller verhoogd dan alkalische fosfatase. Bij hepatitis is GGT slechts licht verhoogd en minder bruikbaar dan ASAT en ALAT. Geisoleerde verhogingen van GGT worden gezien bij medicatie en alcoholgebruik.
Alk.Fosfatase
Alkalische fosfatase, of AFOS is een enzym dat in een klinisch chemisch laboratorium bepaald wordt. Alkalische fosfatase wordt aangevraagd bij de diagnostiek en het vervolgen van leveraandoeningen en botziekten. Als naast een verhoogde concentratie alkalische fosfatase ook een verhoogd gamma-glutamyl transferase wordt gemeten kan er sprake zijn van een leveraandoening, terwijl bij een geisoleerde alkalische fosfatase verhoging sprake kan zijn van een botziekte.
ASAT
De toepassing van de ASAT bepaling ligt voornamelijk bij diagnostiek en follow-up van leveraandoeningen, zoals virale- en toxische hepatitis, en van myocardinfarct. ASAT wordt altijd aangevraagd in combinatie met ALAT omdat ALAT veel specifieker is voor leveraandoeningen.
ALAT
De mate van de verhoging van het gehalte aan ALAT en het ASAT, de duur van de verhoging en de onderlinge verhouding ASAT/ALAT geven een aanwijzing in de richting van de soort leverziekte. Zo kan er op basis van die resultaten onderscheid gemaakt worden tussen bijvoorbeeld acute en chronische hepatitis maar ook tussen hepatitis en galstuwing. Ook kan het resultaat van dit onderzoek een aanwijzing geven over de oorzaak van de hepatitis: dit kan bijvoorbeeld een virus zijn, overmatig alcoholgebruik of een auto-immuunziekte.
Billi-totaal
Bilirubine is een gele stof die voornamelijk vrijkomt bij afbraak van oude rode bloedcellen. Bilirubine is het afbraakproduct van hemoglobine, de rode bloedkleurstof. Bilirubine is giftig voor het lichaam, wordt uitgescheiden via de gal en verlaat op deze wijze via de uitwerpselen het lichaam. Bilirubine is zeer slecht oplosbaar in water, daarom wordt het in het bloed gebonden aan albumine. Het wordt door de lever uit het bloed opgenomen en gekoppeld aan glucuronzuur met het enzym glucuronyltransferase. Hierdoor wordt het bilirubine wateroplosbaar en kan het door de lever in de gal worden uitgescheiden. Men spreekt van de omzetting van ongeconjugeerde bilirubine naar geconjugeerde bilirubine. De gal komt eerst in de galblaas terecht en wordt daarna in de dunne darm uitgescheiden. In de darm wordt bilirubine door de daar aanwezige bacterien omgezet in (urobilinogeen). Een deel hiervan wordt door oxidatie omgezet in stercobiline, wat de kleur geeft aan de stoelgang. Het overige gedeelte wordt ter hoogte van het jejunum terug opgenomen in de bloedbaan en passeert terug via de levercirculatie. Ter hoogte van de nieren is er ook een mogelijkheid om urobilinogeen te oxideren. Dan ontstaat urobiline wat de kleur geeft aan de urine. Wanneer het ene systeem faalt (galwegobstructie) gaat het andere compenseren (verdonkeren van de urine).
CRP
Het C-reactief proteine (Engels: C-reactive protein), meestal afgekort tot CRP, is een zogenaamd acutefase-eiwit. CRP wordt geproduceerd door de lever en afgegeven in de bloedbaan. Na het ontstaan van een ontsteking neemt de hoeveelheid CRP in het lichaam binnen een paar uur toe. Hierdoor is CRP waardevol voor het vaststellen van de aanwezigheid van een ontsteking of om het effect van een medische behandeling op de ontsteking te volgen. De toename van CRP wordt vaak al gezien voordat er klinische symptomen van een ontsteking door de patient worden waargenomen. CRP is niet specifiek genoeg om de oorzaak van de ontsteking aan te tonen, maar het is een signaalmolekuul dat aangeeft dat aanvullend medisch onderzoek nodig is. Voordat CRP toegepast werd, werd er gebruik gemaakt van de bezinking (BSE), voor het aantonen van een onsteking. Bij het begin van een ziekteproces kan het echter enkele dagen duren voordat er een stijging van de BSE optreedt. Daarmee verandert de bezinking veel trager dan het CRP, dat in zes tot acht uur na begin van de ontsteking verhoogd is. Ook daalt de BSE na het uitdoven van een ziekteproces veel trager dan het CRP. Verder is de bezinking ook afhankelijk van onder andere geslacht, leeftijd, zwangerschap, geneesmiddelengebruik, hematocriet en morfologie van de rode bloedcellen. Door al deze factoren is de bezinking in de acute fase van de ontsteking van minder diagnostische waarde geworden.
C-reactief proteïne (CRP), ultra-sensitief
Het C-reactief proteïne meestal afgekort tot CRP, is een zogenaamd acutefase-eiwit.
CRP wordt geproduceerd door de lever en afgegeven in de bloedbaan.
Na het ontstaan van een ontsteking neemt de hoeveelheid CRP in het lichaam binnen een paar uur toe.
Hierdoor is CRP waardevol voor het vaststellen van de aanwezigheid van een ontsteking of om het effect van een medische behandeling op de ontsteking te volgen.
Naast de gebruikelijke CRP-bepaling is er ook een ultrasensitieve CRP-bepaling op de markt gekomen, hs-CRP; high sensitive CRP of C-reactief proteïne (CRP), ultra-sensitief, waarmee zeer laaggradige ontstekingsreacties aangetoond kunnen worden.
Ultra-sensitief CRP wordt aangevraagd bij gezonde personen om te voorspellen of er sprake is van een verhoogde kans op het ontwikkelen van hart- en/of vaatziekte.
De test wordt tevens aangevraagd bij patiënten die een hartaanval hebben doorgemaakt om de ernst in te kunnen schatten. Bij hart- en vaatziekten maakt het lichaam langdurig hele kleine hoeveelheden CRP aan. Deze kleine hoeveelheden kunnen niet worden gedetecteerd met de huidige CRP-test en daarom is de nieuwe ultrasensitieve CRP-bepaling op de markt gekomen. Deze test kan niet aangeven waar de focus van de ontsteking zich bevindt.
Uit diverse recente studies is duidelijk geworden dat de hs-CRP, met name indien gecombineerd bepaald met het totaal cholesterol en het HDL-cholesterol, een sterke voorspeller is van toekomstige coronaire aandoeningen bij ogenschijnlijk gezonde personen. Dit onderzoek is uitgevoerd omdat vermoed wordt dat laaggradige,
chronische ontstekingen een belangrijke rol spelen bij het proces van atherosclerose.
Er zijn nog geen duidelijke richtlijnen betreft deze nieuwe bepaling omdat de test zeer recent is ontwikkeld. Een aantal Amerikaanse wetenschappers en artsen hebben de volgende richtlijnen opgesteld voor het inschatten van het risico op het ontwikkelen van een hart- en/of vaatziekte:
< 1 mg/l: geen verhoogd risico
1 – 3 mg/l: licht verhoogd risico
> 3 mg.l: hoog risico
> 10 mg/l: duidt op een acute infectie
Bezinking
De bezinkingssnelheid van de erythrocyten, ook wel bezinking of BSE en soms onjuist ook bloedbezinksel genoemd, is de snelheid waarmee de rode bloedcellen in een buisje bloed naar beneden zinken.
Meting van de bezinkingssnelheid
De bezinkingssnelheid van de erythrocyten in het plasma wordt gemeten door middel van een bloedonderzoek. Daarbij wordt een bloedmonster onstolbaar gemaakt, waarna men het 1 uur in een buisje laat staan. Vervolgens wordt de de lengte van de heldere kolom plasma bovenin de standaard-buis in millimeter gemeten. Normaal ligt de waarde ongeveer tussen 3 en 15 mm, enigszins afhankelijk van de gebruikte methode. Vrouwen hebben ook gemiddeld een iets hogere bezinking dan mannen.
In het laboratorium wordt ook wel gebruik gemaakt van een centrifuge om het bezinkingsproces en daarmee de aflezing te versnellen.
Invloed van ontstekingen
Het bezinkings-getal wordt door vele parameters beinvloed, maar is een vrij goede maat voor de activiteit van ontstekingsprocessen in het lichaam. Bij ontstekingen zijn bepaalde eiwitproducten (in het bijzonder fibrinogeen) in het bloed te vinden. Deze zorgen er voor, dat de oppervlakte van de erythrocyten (rode bloedcellen) verandert van elektrische lading, waardoor zij meer samenklonteren dan anders en sneller naar beneden zakken. De BSE zegt echter weinig over de oorzaak van die ontsteking: het kan evengoed om een zere keel gaan, als om een reumatoïde artritis of een blindedarmontsteking. Omdat de bepaling zeer eenvoudig is en weinig kost wordt hij in Nederland per jaar miljoenen malen uitgevoerd. Een ongewoon lage bezinking kan wijzen op toegenomen stroperigheid van het bloed, bijvoorbeeld door een teveel aan bepaalde eiwitten.
Leukocyten
Witte bloedcellen of leukocyten zijn cellen met een celkern die zich in het bloed bevinden. Ze maken maar een heel klein deel uit van de cellen in het bloed, op iedere witte bloedcel zijn er vele honderden rode bloedcellen, maar de witte bloedcellen zijn wel een stuk groter. Ze vormen een belangrijke component van het immuunsysteem. Witte bloedcellen spelen ook een rol bij sommige allergische reacties, zoals een type I-allergie.
Leuko differentiatie
Leuko differentiatie is het splitsen van de witte bloedcellen naar de verschillende (onderliggende)typen. De in standaard gevallen meest voorkomenden zijn: lymfocyten, eosinofiele granulocyten, neutrofiele granulocyten, basofiele granulocyten en monocyten. Deze informatie is belangrijk om te achterhalen waarom er sprake is van een verhoogd of verlaagd aantal witte bloedcellen.
Trombocyten
Bloedplaatjes (trombocyten) worden net als de andere bloedcellen gevormd in het beenmerg. Trombopoetine, een hormoon, stimuleert de ontwikkeling en proliferatie van reuscellen die megakaryoblasten worden genoemd. Deze reuscellen ondergaan endomitose. Dat wil zeggen dat de kern van de cel zich deelt, terwijl de cel hierbij niet groter wordt. De megakaryoblasten differentieren zich tot megakaryocyten. Deze cellen hebben een goed ontwikkeld golgi-apparaat, vele mitochondriën, ruw endoplasmatisch reticulum en lysozomen. Door afsnoeringen van de megakaryocyt worden bloedplaatjes gevormd. Uit een megakaryocyt kunnen wel duizenden bloedplaatjes worden gevormd. Bloedplaatjes zijn dus eigenlijk geen volledige cellen meer maar slechts fragmentjes. De levensduur van een bloedplaatje in de bloedsomloop is ongeveer 8 a 10 dagen. Als een bloedvatwand beschadigd is, gaan de bloedplaatjes ook kapot zodra ze bij de beschadiging komen. Daarbij komt trombokinase vrij. Het vrijgekomen trombokinase staat aan het begin van een ingewikkelde keten van reacties, die eindigt met het ontstaan van een bloedstolsel. Zo wordt er een afsluitende bloedprop gevormd. Hierna wordt fibrine gevormd uit fibrinogeen. Fibrine is een vezelachtige stof die een netwerk van draden gaat vormen om de bloedprop te verstevigen.
Deze samenvating is ontleend aan Wikipedia samengevat en ge-edit door H.m.Hanse
editor: H.m.Hanse copyright overeenkomstig de GNU licence